Casus arbeidspsychologisch onderzoek

Pieter wordt begeleid door een re-integratiebureau. Bij de intake die het re-integratiebureau met hem heeft gehad, rijzen er vragen over wat er van Pieter gevraagd mag worden qua werksetting.

Ik heb een intakegesprek met Pieter. Hij vertelt dat hij al van jongs af aan het idee gehad dat hij in de ICT wilde. Daarom heeft hij, nadat hij zijn mavo-diploma heeft behaald, op het mbo de opleiding Technische Informatica gevolgd. Deze opleiding heeft hij met goed gevolg afgerond.

Pieter vertelt dat hij veel werkervaring heeft opgedaan in de ICT-branche. Wel merkte hij dat, wanneer er druk op kwam te staan, hij zich zorgen ging maken. Hij wilde het dan extra goed doen, hetgeen ten koste ging van hemzelf. Vanuit het re-integratiebureau is aangegeven, dat het Pieter niet lukt om langere tijd in een functie succesvol te blijven. Hoewel de ICT hem wel degelijk interesseert, lijkt het erop dat de druk in deze branche voor hem te groot is. Daarom is gesproken over een mogelijke overstap naar een andere richting, bijvoorbeeld in de techniek. Vóórdat deze stap daadwerkelijk wordt gezet, is het belangrijk om te kunnen inschatten of een dergelijke keuze inderdaad op dit moment de meest voor de hand liggende is, en tot succes kan leiden. Er is daarom een arbeidspsychologisch onderzoek aangevraagd om te kijken wat de kwaliteiten, mogelijkheden en beperkingen van Pieter zijn in relatie tot het zoeken naar een passende opleiding en/of functie.

In het onderzoek wordt bevestigd dat Pieter op kwalificatieniveau 4 van het mbo functioneert. Wel blijkt dat zijn concentratie gedurende een langere periode onder druk staat. Pieter kan zich prima focussen op een korte, eenvoudige taak; wanneer hij echter zich langer ergens op moet richten, is hij sneller afgeleid. Wat verder naar voren komt, is dat er bij Pieter weinig sprake is van passie. Zijn ambitieniveau is bijzonder laag. Ook zijn werktempo is vrij laag. Dan wordt de druk die een functie met zich meebrengt, al snel als teveel ervaren. Op zich kan hij van zichzelf wel enigszins omgaan met druk. Het is niet zo dat hij er volledig van blokkeert. Maar het past niet bij zijn instelling. Dat brengt bij hemzelf fricties teweeg, waar hij vervolgens zelf mee blijft worstelen. Hij deelt het niet met anderen, waardoor het steeds meer aan hem gaat vreten, en vervolgens gevolgen heeft voor zijn welbevinden, hetgeen uiteindelijk tot uitval leidt.

We komen tot de conclusie dat Pieter het beste gebaat is bij een functie waar ambitie er in eerste instantie niet toe doet. Hij moet met plezier zijn werk kunnen doen. Daarbij zijn afwisseling, buiten zijn, eens een praatje kunnen maken, iemand van dienst kunnen zijn veel belangrijker dan de richting waarin hij werkt. Zijn voorkeur voor iets op het gebied van vervoer sluit daar op zich goed bij aan. Tijdens de bespreking van de onderzoeksresultaten, waarbij behalve Pieter ook zijn re-integratiecoach aanwezig is, wordt als voorbeeld gesproken over een functie als chauffeur ten behoeve van maaltijdservice. Ook kan hij zich oriënteren op functies op het gebied van archief en informatiebeheer.

Verder komt nadrukkelijk naar voren, dat Pieter het nodig heeft dat hij duidelijk weet wat er wanneer van hem verwacht wordt. Wel is een bepaalde mate van druk onvermijdelijk. Pieter zal moeten leren om eerder aan te kaarten als iets niet loopt zoals hij het graag zou willen of verwacht had; bewustwording van en leren omgaan met zijn eigen gevoelens zijn daarbij de eerste stappen. Het re-integratiebureau zal hem hierbij begeleiden. Er wordt afgesproken dat er gezocht zal worden naar een werkervaringsplaats, waar Pieter adequaat en intensief gecoacht wordt: wat doen bepaalde voorvallen en situaties met hem, hoe reageert hij op bepaalde situaties, hoe gaat hij om met vragen en verwachtingen,etc. Op die manier moet Pieter leren zelfvertrouwen op te bouwen om in een ‘echte’ baan goed te kunnen functioneren.